Vragen over Irak

Vragen over Irak

Het regeerakkoord van het kabinet-Balkenende IV bevat twee noviteiten. De eerste is dat niet alles op schrift blijkt te staan, de tweede dat de ongeschreven bepaling, namelijk dat er géén parlementair onderzoek naar de achtergronden van de steun aan de oorlog tegen Irak van het demissionaire kabinet Balkenende I komt, geen staatsrechtelijk precedent heeft.

Om welke vragen zou het bij zo’n onderzoek moeten gaan? Dat wordt duidelijk bij een beknopte
recapitulatie van de kwestie, die begon met de brief van de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, september 2002, die stelde dat voor een gewapend optreden tegen Irak een nieuwe resolutie van de Veiligheidsraad ‘wenselijk maar niet noodzakelijk’ was.

Dit standpunt werd volkomen ongevraagd ingenomen op een moment dat de krantenlezer wist dat
er binnen de Amerikaanse regering discussie gaande was over de vraag of Irak buiten de VN om zou
worden aangevallen, of dat op een of andere wijze zo’n aanval door de VN gelegitimeerd zou moeten
worden.

De Nederlandse stap kan moeilijk anders worden uitgelegd dan als steun voor de regeringsfactie in
Washington die de VN wilde negeren. Tenzij men een zonderlinge redenering accepteert. Namelijk dat
zo’n oorlog legitiem was op basis van resolutie 678 van de VN-Veiligheidsraad uit 1990, die de lidstaten van de VN machtigde ‘alle noodzakelijke middelen’ te gebruiken om resolutie 660 (2 augustus 1990) ten uitvoer te brengen. Dat was de resolutie waarin van Irak geëist werd dat het de verovering van Koeweit ongedaan zou maken. Resolutie 678 deed daarna dienst als omnibusresolutie bij daaropvolgende resoluties die in 1991 werden aangenomen ter ontwapening
van Irak inzake ‘massavernietigingswapens’ en ballistische raketten met een reikwijdte van meer
dan 150 km.

De stelling dat deze resolutie twaalf jaar later zonder meer als basis voor gewapend optreden tegen
Irak dienst kon doen, hebben volkenrechtelijke deskundigen in 2002 in grote meerderheid verworpen
(en geen enkele staat heeft zich erop beroepen).

Toenmalig PvdA-Kamerlid Koenders verzocht de minister over deze kwestie advies in te winnen bij
de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken. Dit weigerde de bewindsman. Volgens mijn informatie passeerde hij ook de terzake deskundigen van zijn eigen ministerie, toen hij deze brief opstelde.

De eerste vraag is dus: waarom moest Nederland zo nodig op dit moment met deze positiebepaling naar buiten treden, en waarom is deze nooit van een deugdelijke argumentatie voorzien? President Bush jr liet zich niets gelegen liggen aan het Nederlandse advies en koos korte tijd later tóch voor de weg van de VN. Deze gang resulteerde op 8 november 2002 in de vaststelling, door een unanieme
Veiligheidsraad, van resolutie 1441. De tekst van deze resolutie was met opzet zo gekozen, dat deze bij weigerachtigheid van Saddam Hoessein niet als een mandaat voor militair optreden kon dienen. In de resolutie, zo stelde de Amerikaanse ambassadeur bij de VN vast, zaten geen ‘hidden triggers’. Zij bevatte dan ook niet de formulering dat lidstaten naleving konden afdwingen met ‘alle noodzakelijke middelen’, de formulering die machtigt tot militair optreden, maar waarschuwde dat Irak ‘ernstige gevolgen’ onder ogen moest zien bij niet-nakomen van zijn verplichtingen.

VN-wapeninspecteurs kregen in ‘1441’ veel verdergaande bevoegdheden dan onder de oude resoluties en de Iraakse dictator werd gelast bewijzen te overleggen dat hij niet langer over ‘massavernietigingswapens’ beschikte. Irak accepteerde de voorwaarden van resolutie 1441 op 13 november 2002.

Op 27 november begonnen de VN-inspecteurs hun werk. Onder leiding van IAEA-directeur Mohammed ElBaradei begon de controle van wat er nog zou kunnen bestaan van het Iraakse nucleaire programma, terwijl het UNMOVIC-team, geleid door Hans Blix, zich toelegde op chemische en biologische wapens, alsmede ballistische raketten. De controles werden mogelijk toen Irak voldeed aan de eis in de resolutie dat het de bewijzen moest leveren niet meer over massavernietigingswapens’ te beschikken, in de vorm van een ‘accurate, volledige en complete verklaring’.

Op 8 december arriveerde deze verklaring, die ongeveer 12.000 bladzijden telde, op het VNhoofdkwartier in New York. In zijn tussenreportages heeft Blix vervolgens steeds de druk op Irak aangehouden, teneinde aan ontbrekende gegevens te komen. Maar hij heeft nooit gezegd dat Irak zich niet aan resolutie 1441 hield, zoals de Nederlandse regering bij monde van de minister-president heeft beweerd. Begin maart2003 rapporteerde ElBaradei dat Irak noch over nucleaire wapens beschikte, noch over de middelen deze te produceren. Wat chemische en biologische wapens betreft verwachtte Blix dat de controle binnen enkele maanden kon worden afgerond. Opmerkelijk
was vanzelfsprekend dat de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk kennelijk niet over informatie
beschikten op grond waarvan de VN-inspecteurs de aanwezigheid van ‘massavernietigingswapens’
hadden kunnen vaststellen.

Aangezien resolutie 1441 daartoe geen ruimte gaf, begonnen de Verenigde Staten en het Verenigd
Koninkrijk, toen de inspecties niets opleverden, hun best te doen een tweede resolutie aanvaard te krijgen, die wél toestemming gaf voor militair geweld, op grond van het door Irak niet-nakomen van resolutie 1441. Maar de rapportages van Blix gaven daartoe géén ruimte. Het is dan ook niet verwonderlijk dat beide staten er, ondanks grove druk op een aantal kleinere leden van de Veiligheidsraad, niet in slaagden een meerderheid achter zo’n resolutie te verenigen.

Uiteindelijk waren maar twee van de dertien andere leden bereid deze te steunen. Daarop lieten
Washington en Londen het niet op een stemming aankomen en gingen ze eigenmachtig tot de aanval over, met als argument dat de massavernietigingswapens van Saddam een onmiddellijke en rechtstreekse bedreiging van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk vormden. Het demissionaire kabinet-Balkenende verklaarde vervolgens zijn politieke steun aan de oorlog met het argument dat Saddam zich niet aan de resoluties van de Veiligheidsraad had gehouden. Dit roept vragen op.

Allereerst: op grond waarvan concludeerde het kabinet dat Irak zich niet aan resolutie 1441 hield?
De wapeninspecteurs vonden dat niet, evenmin als de Veiligheidsraad. Anders dan premier Balkenende nog steeds beweert, gaf Irak gevolg aan resolutie 1441 en leverde het de bewijzen dat het niet meer over massavernietigingswapens beschikte.

In de tweede plaats: hoe kan Nederland eigenlijk een oorlog steunen die op heel andere gronden
wordt gevoerd dan het de juiste acht? Waarom heeft het kabinet-Balkenende de Amerikaanse en Britse regering nooit gewaarschuwd dat zij om de verkeerde redenen Irak hebben aangevallen? De regering staat nu op het zonderlinge standpunt dat het feit dat één lidstaat van de VN vindt dat een andere zich niet aan een resolutie van de Veiligheidsraad heeft gehouden, een volkenrechtelijke vrijbrief vormt voor weer andere staten om tegen die tweede staat een oorlog te beginnen, buiten de Veiligheidsraad om.

In de derde plaats is het argument van het kabinet dat het enkel en alleen vanwege het beweerde nietnakomen door Irak van resoluties van de Veiligheidsraad tot steun aan de op andere gronden begonnen oorlog tegen Irak is gekomen, op zijn zachtst gezegd onoprecht. Wie de handelingen van de Tweede Kamer raadpleegt, leest dat de verantwoordelijke bewindslieden en de woordvoerders van de regeringspartijen in de aanloop tot de oorlog niets anders deden dan tamboereren op het gevaar van de massavernietigingswapens van Saddam als doorslaggevend motief voor een oorlog tegen Irak.
Volgens sommigen kwam de vlucht in deze juridische rechtvaardiging voort uit de behoefte de
Nederlandse steun te plaatsen in de context van onze grote volkenrechtelijke traditie. Dat is dan een
beschamende poging geworden om recht te praten wat krom is. Het regeringsstandpunt berust op een reeks aantoonbare onwaarheden. Om dit vast te stellen, is géén parlementair onderzoek nodig.

Maar waarom heeft de regering dat standpunt ingenomen? Waarom hebben regeringspartijen dit door dik en dun onderschreven? Dit vraagt om een onderzoek dat betrekking heeft op de organisatie en kwaliteit van de ambtelijke advisering op de departementen van Buitenlandse en Algemene Zaken, op de goedgelovigheid en integriteit van de betrokken bewindslieden, alsmede op de competentie van Kamerleden van regeringspartijen. Want hoe is het mogelijk dat zij allen klaarblijkelijke leugens over oorlog en vrede ondersteunden of nog ondersteunen?

Het is een hoogst actuele kwestie, geen historische. Dat bleek wel toen de nieuwe minister van
Buitenlandse Zaken Maxime Verhagen in een debat met de Tweede Kamer weigerde uit te sluiten dat
Nederland steun aan een nieuwe oorlog, tegen Iran,
Bart Tromp in Internationale Spectator Jaargang 61 nr. 6 Juni 2007

Auteur
Bart Tromp
Verschenen in
Internationale Spectator
Datum verschijning
01-06-2007

« Terug naar het overzicht