Een mislukte strategie

 

Een mislukte strategie

de oorlog in irak duurt nu al meer dan twee jaar en er is geen zicht op een einde.

bart tromp


De relatieve neergang van de Verenigde Staten als hegemoniale staat begon in het begin van de jaren zeventig, toen president Nixon bekendmaakte dat de convertibiliteit van de dollar in goud niet langer van kracht was. Van Nixon tot en met Clinton hebben opeenvolgende Amerikaanse regeringen deze relatieve neergang proberen te verzachten door gebruik te maken van een ruim arsenaal aan‘ soft power, vrijwel altijd ingebed in multilaterale structuren, variërend van Navo tot Verenigde Naties.
Deze politiek werd nooit onderschreven door Amerikaanse haviken, die vooral in de rechtervleugel van de Republikeinse partij zijn te vinden. Maar ook onder Republikeinse presidenten verwierven zij nooit werkelijke invloed. Dat werd anders bij het aantreden van president Bush jr. De haviken, nu bekend als ‘ neoconservatieven’, kregen de kans met hun eigen programma om te neergang van Amerika te stuiten.
De aanslagen op de Twin Towers en het Pentagon werden aangegrepen om punt één op de neoconservatieve agenda uit te voeren: een oorlog tegen Irak. Deze zou ook de effectiviteit van een nieuwe vorm van oorlogvoering demonstreren, waarin een kleine, met high tech-wapens en communicatieapparatuur uitgeruste krijgsmacht in korte tijd elke vijand kon verslaan.
Aanvankelijk plande Central Command, een van de vijf Amerikaanse operationele hoofdkwartieren waaronder het Midden-Oosten ressorteert, een aanval met 500.000 man. Maar de neoconservatieve minister Rumsfeld insisteerde op de inzet van minder dan eenderde daarvan. Het hele karwei moest in zeventig dagen geklaard zijn: tien voor de gevechtshandelingen, dertig voor het vestigen van rust en orde en dertig voor de overdracht aan een nieuwe regering. De kosten van de oorlog zouden betaald worden uit de opbrengst van de Iraakse olie.
De voorgenomen oorlog werd gerechtvaardigd door de banden die de Iraakse dictator zou hebben met al-Qaida en door de massavernietigingswapens waarmee hij de VS zou bedreigen. Voor geen van beide bestond een spoor van bewijs en ook na de oorlog is dat niet gevonden. De VS en het Verenigd Koninkrijk, waarvan eerste minister Blair zich blindelings met president Bush jr had verbonden, probeerden van de Veiligheidsraad een machtiging voor de oorlog te krijgen. Maar Bush slaagde er niet in zelfs maar een eenvoudige meerderheid te krijgen.
Dat was de VS nog nooit overkomen, en deze diplomatieke nederlaag deed al vermoeden dat de neoconservatieve strategie het prestige van de VS eerder verzwakte dan versterkte. In contrast: de eerste oorlog tegen Irak, 1991-1992, was gevoerd op basis van resoluties van de Veiligheidsraad, en van de coalitie tegen Saddam Hoessein maakten alle Arabische staten behalve Jordanië deel uit.
De geregelde strijdkrachten van Irak werden binnen drie weken verslagen, maar de neoconservatieve strategie faalde daarna volkomen. De oorlog duurt nu al meer dan twee jaar en er is geen zicht op een einde. De Amerikanen zijn er niet in geslaagd een transformatie naar een vrij en democratisch Irak te bewerkstelligen. De wederopbouw stagneert. De verkiezingen van januari werden gevierd als de bevestiging van het neoconservatieve gelijk, maar dat bleek alleen maar de zoveelste beoordelingsfout in een schier eindeloze reeks.
Financiële misrekeningen maken daarvan deel uit. Er is geen sprake van dat de VS de Irakezen de kosten van de oorlog kunnen laten dragen door de oliewinsten af te romen, want die winsten zijn er niet. De kosten van de oorlog belopen al zo’n 200 miljard dollar, waarvan voor dit jaar 80 miljard is begroot. En dit terwijl de economische neergang van de VS zich onder Bush jr heeft versneld. Zijn vergaande belastingverlagingen voor de zeer rijken leiden tot een steeds groter en structureel begrotingstekort, nu in de orde van grootte van 500 miljard per jaar. In feite is de oorlog in Irak (en in Afghanistan) alleen mogelijk omdat buitenlandse beleggers dit tekort financieren. Dat kan echter niet onbeperkt doorgaan, nog afgezien van het feit dat de VS zo afhankelijk worden van China, de voornaamste opkoper van Amerikaanse staatsobligaties.
Niet alleen in financieel, economisch en militair opzicht heeft de neoconservatieve strategie de positie van de VS verzwakt. De grootste prijs die wordt betaald, is het verlies aan legitimiteit, dat nu juist de basis vormde van Amerika’s hegemoniale status.

Auteur
Bart Tromp
Verschenen in
Het Parool
Datum verschijning
23-06-2005

« Terug naar het overzicht