Verkeerd recept, rampzalig resultaat ; Oostblok veel slechter af dan in 1989

De ontwikkeling van de landen van het voormalige Oostblok en de vroegere Sovjet-Unie na de val van de Muur is er niet bepaald een van grote voorspoed geweest. Dat had veel te maken met het verleden, maar meer nog met verkeerde keuzes die na 1989 zijn gemaakt. De ellende van het communisme werd verergerd door de ellende van het kapitalisme.

Op 9 november 1989 maakte Gunther Schabowski, pas benoemd tot secretaris mediapolitiek van de SED (de communistische partij van de DDR), op een persconferentie bekend dat de Duitse Democratische Republiek, de DDR, had besloten haar grenzen open te stellen. Nog diezelfde avond stroomden de Oost-Berlijners bij duizenden door de doorlaatposten in de Muur naar West-Berlijn. De 28 jaar eerder gebouwde Muur, officieel de antifaschistische Schutzwall, had het begeven.

Met de val van de Muur stortte op termijn het regime van de SED ineen en verdween de DDR. De DDR was het pronkjuweel van het Sovjet-Russische imperium in Oost-Europa. Hier lagen ongeveer twintig elitedivisies van het Sovjetleger, waarmee Moskou elke verdediging onmiddellijk in een aanval op West-Europa kon transformeren.

De Oost-Duitse aanvalsscenario's bepaalden niet alleen op welk geografisch punt van de opmars partijleider Erich Honecker tot maarschalk zou worden benoemd, maar ook welke partijgenoten stationschef in het veroverde West-Duitse gebied zouden worden.

Geostrategisch betekende de val van de Muur ook het einde van de Sovjethegemonie in Oost-Europa. En dat verlies kon op niets anders uitlopen dan op de ontmanteling van het communisme in Rusland. Zo zag Gorbatsjov, de laatste secretaris-generaal van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie (CPSU), het niet. Hij meende bezig te zijn met de interne hervorming van het communistische stelsel, in economisch en politiek opzicht. Dat was een tragische misvatting. Het communisme is een stelsel dat niet hervormd kan worden zonder het zelf te vernietigen.

Maar Gorbatsjovs illusie van perestrojka had weldadige gevolgen. Juist omdat hij streefde naar een geleidelijke verbetering van het communisme, was in zijn politiek geen plaats voor repressie en wapengeweld. Gorbatsjov was de laatste communist die nog in het communisme geloofde. De partij-elites, in de Sovjet-Unie en haar Oost-Europese satellieten, hadden allang het geloof verloren in een eigen maatschappelijke orde, superieur aan de kapitalistische. Daardoor ontbrak het hun evenzeer aan de wil en overtuiging om gewapenderhand hun ancien regime te handhaven.

Zo verliep de ondergang van het communisme - uitgezonderd in Roemenie - zonder bloedvergieten op grote schaal. (Joegoslavie werd een geval apart.) Het voorlaatste communistische regime dat het begaf, was dat van Albanie, in het voorjaar van 1991.

Maar doorslaggevend was vanzelfsprekend de ontbinding van de Sovjet-Unie in het GOS, het Gemenebest van onafhankelijke staten (waarbij de drie Baltische staten zich niet aansloten), in december 1991. Deze ontbinding was zelf weer de uitkomst van de opheffing van de CPSU en het machteloos maken van Gorbatsjov door Jeltsin na de mislukte coup tegen de eerste in september van dat jaar.

De ineenstorting van het communisme bleek allerminst gelijk te staan met het ontstaan van een nieuwe maatschappelijke en politieke orde, gekenmerkt door democratie en markteconomie. Tien jaar na 1989 heeft van de 27 staten in Oost-Europa en de oude Sovjet-Unie alleen Slovenie een hoger nationaal inkomen dan in 1989. In enkele Oost-Europese staten heeft democratie wortel geschoten, maar daarvan is geen sprake in het GOS - de Centraal-Aziatische republieken Toerkmenistan, Oezbekistan en Tadzjikistan behoren zelfs tot de meest ondemocratische landen in de wereld.

In de meeste opzichten is het overgrote deel van de inwoners van deze staten tien jaar na de bevrijding van het communisme slechter af dan in 1989. De kosten van de overgang naar een vrije markt zijn buitengewoon hoog uitgevallen, meldt het jongste rapport over de regio van het United Nations Development Programma (UNDP), en er is voor de meeste staten geen sprake van dat het langzaam beter gaat.

Het Human Development Report for Europe and the CIS 1999 brengt deze overgangskosten in zeven categorieen in kaart, met als conclusie: een dramatische verslechtering van de levenskansen voor vrijwel iedereen. Het rapport noemt de overgang een wreed proces waarbij een kleine winst in vrijheid wordt betaald met een vermindering van menselijke veiligheid op tal van terreinen.

In de eerste plaats gaat het dan om de daling van de levensverwachting, vooral onder jongere en middelbare mannen in de Russische federatie, waar de levensverwachting voor mannen nu gedaald is tot 58 jaar. Bijna tien miljoen mensen zijn sinds 1989 als gevolg van de overgangskosten voortijdig gestorven.

Vervolgens is sprake van een sterke stijging van de ziektecijfers, waarbij zowel het frequenter voorkomen van 'gewone' ziekten meetelt als de verspreiding van zeldzaam geworden ziekten als tuberculose en polio, en van geslachtsziekten en aids.

In de derde plaats manifesteren de overgangskosten zich in een kolossale toename van armoede. In Kirgizistan leeft 71 procent van de bevolking beneden de armoedegrens, in Oekraine de helft en in Georgie meer dan tweederde. Ondervoeding is in veel staten een ernstig probleem. Zelfs in Polen, dat met Slovenie, Tsjechie, Kroatie en Hongarije de overgang het succesvolst heeft doorgemaakt, lijdt zestig procent van de kinderen aan een vorm van ondervoeding.

De verarming heeft vooral bejaarden, gehandicapten en vluchtelingen getroffen. In Rusland bedroeg in 1997 het gemiddelde pensioen eenderde van het gemiddelde loon. De inkomensachteruitgang is zowel het gevolg van de daling van het nationale inkomen als van extreme inflatie. Daar komt nog bij dat uitbetaling van lonen, pensioenen en uitkeringen in veel staten weken, soms maanden, op zich laat wachten. Het aantal mensen dat van vier dollar per dag moest rondkomen, is gestegen van vier procent in 1988 tot 32 procent in 1994.

De toename van de inkomens- en vermogensongelijkheid is de vierde prijs die voor de overgang naar de vrije markt wordt betaald. Deze ongelijkheid komt vooral tot uiting in de daling van inkomens uit arbeid en stijging van die uit kapitaal, maar ook in de grotere prijsstijging van eerste levensbehoeften dan die van andere goederen.

Na de val van de Muur is de positie van vrouwen daarenboven nog eens extra verslechterd. Zij zijn uit het openbare leven gedrukt en hebben minder toegang tot de formele betaalde arbeid gekregen. Geweld tegen vrouwen is toegenomen, om nog maar te zwijgen van de criminele organisaties die op grote schaal meisjes tot prostitutie dwingen.

In de zesde plaats is het onderwijs is verslechterd. De overheidsuitgaven voor onderwijs zijn gedaald, met als gevolg zowel het afschaffen van voorschoolse opvang en de neergang van de kwaliteit van het algemeen onderwijs als een toenemende ontoegankelijkheid van het hoger onderwijs voor mensen uit lagere- en middeninkomensgroepen.

De laatste kostenfactor is de groei van werkloosheid en een informele economie. Bij werkloosheid moet nog worden opgeteld het gegeven dat een groot deel van de bevolking ver beneden haar niveau werkt. De informele economie is waarschijnlijk het grootste in de Russische Federatie, waar de belastingdienst schat dat deze voor de helft van het nationaal inkomen zorgt. Zelfs in Hongarije wordt deze op dertig procent begroot. De consequentie van deze informalisering van de economie is niet alleen dat deze zich aan belastingheffing onttrekt, maar ook dat degenen die erin werkzaam zijn, geen aanspraak kunnen maken op sociale voorzieningen.

De slotsom van het UNDP-rapport luidt dat in de meeste staten van het oude Oostblok geen sprake meer is van de vroegere vanzelfsprekendheid van onderwijs, gezondheidszorg en behoorlijke voeding. Deze slotsom kan enigszins worden gerelativeerd: de levensstandaard was in de meeste landen van het Oostblok, vooral in de Sovjet-Unie, al lang voor 1989 aan het dalen. Die tendens is door de ineenstorting van het communisme niet gekeerd, maar versterkt.

Natuurlijk is dit beeld niet voor alle staten hetzelfde. Een klein aantal is bezig zich te stabiliseren als democratische markteconomieen. Zij liggen het verst naar het westen. Hoe verder naar het oosten, hoe beroerder de situatie.

Historische lijnen en patronen spelen zeker een rol bij het verklaren van de verschillen. De staten van het GOS zuchtten bijna twee keer zo lang onder een totalitair communistisch regime als de Oost-Europese satellieten, die eerder ervaringen met democratie en markt opdeden en waarvoor de val van de Muur niet de ontbinding van een trots imperium was, maar de bevrijding van vreemde overheersing.

Maar de kracht van zulke verklaringen blijft achter bij die van een veel eenvoudiger verklaring: het recept dat na 1989 voor de overgang werd gekozen. Kort gezegd: wat had voorrang? De overgang naar democratie of de overgang naar kapitalisme?

In veel voormalige communistische staten kozen de nieuwe leiders voor het laatste, met de gedachte dat dit automatisch zowel tot politieke democratie als tot een markteconomie zou leiden. In deze mening werden zij gesterkt door westerse economische adviseurs, die niets wisten van de maatschappijen die zij onderhanden namen, maar dat ook niet nodig vonden. Zij meenden dat hun neoliberale recept universeel toepasbaar is.

Volgens dit recept moet de overgang zo snel mogelijk worden voltrokken door privatisering, regulering en het terugdringen van de staat. Welnu, dit was bij uitstek het recept voor de menselijke rampen die zich in het voormalige Oostblok hebben voltrokken.

Dit had men kunnen weten, als men zorgvuldig naar eerdere en vergelijkbare transities naar een democratische markteconomie had gekeken, zoals die in Oostenrijk, Italie en Spanje en in Zuid-Amerika. Daaruit valt op te maken dat vestiging van democratische politieke instituties en reconstructie van de staat vooraf moeten gaan aan economische liberalisering en privatisering.

De vestiging vooraf van democratie is allereerst noodzakelijk omdat alleen dan de bevolking de onvermijdelijke nadelen van zo'n ingrijpende overgang als legitiem zal aanvaarden. Ze is ook noodzakelijk omdat de politieke democratie er borg voor staat dat die nadelen zo breed en eerlijk mogelijk worden gedeeld.

De reconstructie van de staat is noodzakelijk omdat een markteconomie niet kan functioneren zonder een sterke staat. De communistische staat was echter zeer zwak, ondanks de schijn van het tegendeel. Zij was er niet op ingericht een rechtsorde te laten functioneren (onmisbaar voor het functioneren van een normale economie), zij kende geen belastingsysteem (het geld werd bij de bron ingehouden, alles was immers van de staat) en evenmin een stelsel van sociale zekerheid.

In plaats van de staat te hervormen, is deze nog verder ontkracht. Zo kon privatisering erop neerkomen dat de staatsbedrijven door de communistische elite of de handige biznismen waarmee die zich omringt, om niet werden overgenomen. Het onderscheid tussen economische en criminele activiteiten verdween.

Wat ontstond was een comprador-bourgeoisie (zoals marxisten de inheemse economische bovenlaag in kolonien noemden), die zich toelegde op de uitverkoop van grondstoffen en bodemschatten aan het buitenland. De winsten zijn besteed aan de import van luxegoederen, het aankopen van huizen en beleggingen in het Westen, of domweg - zoals ook met leningen van het IMF gebeurde - op bankrekeningen in Jersey, Zwitserland of de Verenigde Staten gestort. Zij werden en worden niet gebruikt voor productieve investeringen in de eigen staat. In Rusland is dit patroon het duidelijkst zichtbaar.

Het is nog niet te laat het verkeerde recept te verscheuren en tot een verstandiger politiek over te gaan, die de bevolking ten goede komt. Maar dan nog is niet te verwachten dat veel van de vroegere communistische staten spoedig zelfs maar tot het welvaartsniveau van 1989 terugkeren. Het overgangsproces zal op zijn best decennia vergen, als het al zal slagen.

Het gaat er niet alleen meer om de erfenis van het communisme te boven te komen. Daar is nu de puinhoop van tien grotendeels verloren jaren bij gekomen.

Auteur
Bart Tromp
Verschenen in
Het Parool
Datum verschijning
09-11-1999

« Terug naar het overzicht