Van Powell naar Rice



President Bush jr heeft zijn minister van Buitenlandse Zaken, Colin Powell, niet gevraagd aan te blijven. Powell vertrekt met een gedeukte reputatie. In 2000 was hij nog de meest succesvolle gekleurde immigrant in de geschiedenis van de Verenigde Staten. Een geslaagde carrière in het leger, inclusief een ‘tour of duty’ in Vietnam, rondde hij af als voorzitter van het Comité van Chefs van Staven, de hoogste militaire functie in de Verenigde Staten. In deze positie orkestreerde hij de eerste Golfoorlog (1992) op basis van wat de Powell-doctrine ging heten. De VS mochten alleen maar militaire actie ondernemen, als sprake was van een vitaal nationaal belang, als gebruik werd gemaakt van een overweldigende overmacht, en als van te voren vast stond hoe de actie beëindigd zou worden.

Als kandidaat-minister van Buitenlandse Zaken meende Powell dat hij over een eigen machtsbasis beschikte, omdat hij goed geacht mocht worden voor een cruciaal deel van stemmen die op George Bush jr werden uitgebracht. Dat liep anders. Powell was in de nieuwe regering de stem van het verstand, maar hij werd genegeerd door de militaristische utopisten die er de overhand in hadden. Uiteindelijk durfde hij nauwelijks meer buitenlandse reizen te maken, vanwege hun voortdurende gezaag aan zijn stoel. Hij koos voor loyaliteit in plaats van voor aftreden, hoewel hij zijn tegenstrevers in de regering binnenskamers als gevaarlijke halvegaren omschreef. 

Zijn loyaliteit heeft hem zijn reputatie gekost, zonder dat daar iets substantieels tegenover staat. Hij heeft erin berust dat Bush jr een oorlog tegen Irak begon geheel in strijd met de Powell doctrine. Geen vitaal belang, te weinig troepen en geen exit-strategy . Het dieptepunt werd zijn presentatie op 5 februari 2003 in de Veiligheidsraad over de ‘acute’ dreiging van Saddam Hoesseins ‘masavernietigingswapens’. ‘Elke uitspraak die ik hier doe is gebaseerd op solide bronnen. Het zijn niet zomaar beweringen. Wat ik vertel zijn feiten en conclusies gebaseerd op solide informatie.’ Voor de kritische waarnemer was dat toentertijd al allesbehalve overtuigend. Achteraf is Michael Moore’s Fahrenheit 9/11 een wonder van waarheidsgetrouwheid vergeleken met het inmiddels volledig gediscrediteerde betoog van Powell.

Aan de effectiviteit van Powell als minister werd temeer afbreuk gedaan naarmate het steeds meer de vraag was of hij het oor van de president had. Dat ligt heel anders voor zijn opvolger, nationaal veiligheidsadviseur Condoleezza Rice. Wat betekent haar benoeming voor de buitenlandse politiek van de VS? Rice is een intelligent en succesvol politicoloog, maar gespecialiseerd in de voormalige Sovjet-Unie. Als nationaal veiligheidsadviseur schoot ze in mijn oordeel ernstig tekort. Bush jr. trad aan met als belangrijk uitgangspunt dat Amerika in het vervolg niet meer aan ‘nation building’ zou doen. (Dat was dus vóór hij met militaire middelen het Midden-Oosten ging ‘democratiseren’.) Rice vertaalde dit uitgangspunt bits met de opmerking dat ‘de 101e luchtlandingsdivisie er niet was om kinderen naar school te brengen’. 

Voor een zwarte vrouw uit het Zuiden van de VS was dit een verbijsterende opmerking. In 1957 stuurde president Eisenhower immers eenheden van deze divisie naar Little Rock, Arkansas, om er zorg voor te dragen dat zwarte kinderen naar Little Rock Central High School konden gaan, nadat de gouverneur van de staat de Nationale Garde had ingezet om hun de toelating te beletten. 

Als nationaal veiligheidsadviseur was ze er meer op uit de president te stijven in zijn opvattingen, dan om hem te informeren. Dat gold in het bijzonder de kwestie van niet bestaande ‘massavernietigingswapens’ van Saddam Hoessein: zij liet na de president onder ogen te brengen dat de aanwijzingen waarover de inlichtingendiensten en haar staf beschikten niet sterk of van een twijfelachtige kwaliteit waren. Berucht was ook haar advies, nadat de Verenigde Staten er niet in geslaagd waren Frankrijk, Duitsland en Rusland van de noodzaak van een oorlog tegen Irak te overtuigen: ‘Straf Frankrijk, negeer Duitsland, vergeef Rusland’. 

Rice is nagenoeg lid van de familie Bush, en er zal nu dus geen onzekerheid meer bestaan over de vraag of de minister van Buitenlandse Zakenwel op dezelfde lijn zit als de president. Het verontrustende is dat de benoeming van Rice past in een patroon: in zijn tweede periode omringt president Bush jr zich vooral met meepraters die zijn tunnelvisie op de internationale politiek delen.

Bart Tromp

 

Auteur
Bart Tromp
Verschenen in
Elsevier
Datum verschijning
27-11-2004

« Terug naar het overzicht