ONHANDIG NEDERLAND

Twee weken geleden was het thema van mijn column: schijnheiligheid in het internationale drugsbeleid. Met de mond wordt een strenger en strenger vervolgingsbeleid beleden, en wordt Nederland onder druk gezet om het beleid aan die algemene strengheid aan te passen. Maar in feite zijn de meeste Europese staten allang tot de conclusie gekomen dat repressie niet werkt, en volgen zij in veel opzichten de Nederlandse weg.

Achteraf vind ik dat in mijn betoog de suggestie besloten leek te liggen dat als iedereen nu maar het Nederlandse voorbeeld zou volgen, het internationale drugsprobleem zo niet opgelost zou zijn, dan toch beheersbaar geworden. Dat was niet mijn bedoeling.

Dat repressie, steeds hogere straffen, steeds meer juridisch geweld, averechts werkt, betekent niet dat een beleid gericht op beheersing, dat volksgezondheid belangrijker vindt dan bestraffing, niet ook bezwaren heeft. En al allerminst dat het, naar eigen maatstaven gemeten, succesvol is. Succesvol is het alleen in vergelijking met het alternatief van repressie.

Ik noem een paar wezenlijke problemen. Het Nederlandse beleid maakte indertijd een onderscheid tussen hard- en softdrugs. Dat heeft eraan bijgedragen dat degenen die de laatste gebruiken, niet zo gemakkelijk in het circuit van de eerste terechtkomen. Maar het kent wel zijn eigen gebrek aan logica. Coffeeshops mogen kleine hoeveelheden cannabisproducten verkopen aan individuele gebruikers. Maar voor hun aanvoer zijn ze aangewezen op illegale producenten. Dat wringt, zoals af en toe naar buiten komt als in armoedewijken en woonwagenkampen kwekerijen in schuren of op zolders worden opgespoord.

Een tweede probleem is dat de cannabisproducten die nu rondgaan wezenlijk verschillen van de stickies waarmee de generatie van de jaren zestig en zeventig (die nu zowel de politiek, als de staande en zittende magistratuur domineren) experimenteerde. Het gaat om producten die wel dertig keer zo sterk zijn als toen. Het is alsof een glas bier met een alcoholpercentage van 5 procent op een lijn wordt gezet met een even groot glas Poolse wodka van 90 procent. De gewiekstheid waarmee coffeeshophouders tieners rekruteren om hun klasgenoten aan de wiet te krijgen, doet niet onder voor die van de veel kapitaalkrachtiger tabaksindustrie om de uitval aan gestorven rokers te vervangen door nieuwe vrijwilligers.

Maar het werkelijke probleem ligt niet in Nederland, en in de onbeholpen manier waarop er hier tamelijk succesvol met deze verslavende middelen wordt omgegaan. Het werkelijke probleem is mondiaal en wordt teweeggebracht door een duivelse triade: de zucht naar deze verdovende middelen, de organisatie om de vraag ernaar te voldoen (zo niet om deze te vergroten), en de pogingen om deze transacties onmogelijk te maken. De laatste zijn vastgelegd in internationale verdragen die om zo te zeggen de speelruimte bepalen van nationaal drugsbeleid.

Deze triade is duivels, omdat de productie, distributie en consumptie van drugs daardoor de voornaamste criminele activiteit in de wereldeconomie is geworden. Aan de ene kant incasseren handelaren miljarden per jaar, aan de andere kant besteden staten minstens zo veel aan de bestrijding, zonder dat die veel meer oplevert dan het opdrijven van de drugsprijs.

Het huidige internationale regime met betrekking tot drugs werkt, hoe je het ook wendt of keert, volstrekt averechts. Het stimuleert gebruik, het drijft de prijs op, en het leidt daardoor ook tot de criminele activiteiten waarmee die prijs kan worden opgebracht. In het huidige neoliberale klimaat, waarin marktwerking en vrije keuze als hoogste goed en ultieme waarheid gelden, is het nogal vreemd dat deze genotsmiddelen daarvan zijn uitgesloten. Sinds Afghanistan door de Amerikanen 'bevrijd' is, is de productie van opium voor de wereldmarkt er verveelvoudigd - een pakkend voorbeeld van de averechtse werking van het huidige internationale regime, gedomineerd door diezelfde Verenigde Staten.

Auteur
Bart Tromp
Verschenen in
Elsevier
Datum verschijning
10-07-2004

« Terug naar het overzicht