AMERIKA'S MISSIE


Elsevier 02-10-2004 

Toen George W. Bush jr volgens de meeste waarnemers een heel andere buitenlandse politiek ging voeren dan al zijn voorgangers na de Tweede Wereldoorlog waren er ook die dit ontkenden. Het heette dan dat Bush jr helemaal niet had gebroken met het naoorlogse Amerikaanse multilateralisme. De voorbeelden die daarvoor werden aangevoerd, zoals de Amerikaanse campagne tegen het Internationaal Strafhof, moesten worden beschouwd als incidenten, niet als merkboeien van een andere koers. Eigenlijk was er niets veranderd.

De aanslagen van 11 september 2001 hebben deze voorstelling van zaken volkomen veranderd. Even leek Washington toen te beseffen dat internationale samenwerking onmisbaar was voor de Verenigde Staten. Maar dat duurde niet lang. Amerikaans unilateralisme nam scherpere en bottere vormen aan. In een nieuwe veiligheidsdoctrine kondigden de Verenigde Staten aan zich niet meer te houden aan het Handvest van de Verenigde Naties, dat oorlog alleen toestaat als het om zelfverdediging gaat. Voortaan zou, zo kondigde president Bush jr aan, Amerika tot de aanval overgaan als het vond dat een staat een bedreiging van de Verenigde Staten zou vormen. 

Degenen die daarvóór betoogden dat de politiek van Bush jr helemaal geen breuk met het naoorlogse Amerikaanse multilateralisme inhield, tappen sinds enige tijd uit een heel ander vaatje. Zij knikten instemmend bij de oppervlakkige riedel van Robert Kagan dat Amerikanen van Mars komen en Europeanen van Venus. Nu is hun voorman John Lewis Gaddis, historicus van de Koude Oorlog, die in zijn Surprise, Security and the American Experience betoogt dat preventieve oorlog, unilateralisme en het streven naar hegemonie al vanaf de vorming van de Amerikaanse republiek centraal staan in de buitenlandse politiek van de VS. Dit werd vroeger wel beweerd door marxistisch geïnspireerde historici, die daarvoor met hoon werden overladen. Nu voeren verdedigers van het beleid van Bush jr het boek van Gaddis aan als bewijs voor de juistheid van het mislukte Irak-beleid van de eerste. Gaddis zelf is terughoudender: hij vindt dat Bush jr het allemaal verkeerd doet, omdat hij geen maat weet te houden.

Gaddis heeft in zoverre gelijk dat de Verenigde Staten in tweehonderd jaar de grootste en machtigste staat van de wereld zijn geworden door ‘preventieve’ veroveringsoorlogen tegen onmachtige tegenstanders, van de oorspronkelijke bewoners tot Spanje en Mexico. Hij heeft ook gelijk dat dit altijd gerechtvaardigd is met een beroep op een wezen gruwelijke en griezelige ideologie volgens welke de Verenigde Staten van alle andere landen ter wereld verschillen, omdat ze ‘God’s Own Country’ zijn, een ‘Manifest Destiny’ hebben en daarom niet gebonden zijn aan God of gebod.

Hij maakt bovendien geen helder onderscheid tussen preventieve en pre-emptieve oorlog. Van een pre-emptieve oorlog is sprake als een staat een andere aanvalt omdat het vast staat dat deze op het punt staat de aanval op de eerste te openen. De Zesdaagse Oorlog van 1967 geldt als klassiek voorbeeld. Egypte en Syrië hadden hun legers al in aanvalspositie aan de grenzen met Israel opgesteld, toen Israel hen verraste voor ze konden beginnen. Een preventieve oorlog beoogt echter niet daadwerkelijke agressie voor te zijn, maar een mogelijke vijand te vernietigen voor hij een vijand zou kunnen worden.

De oorlog tegen Irak is eerst verkocht als een pre-emptieve oorlog. De Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk zouden rechtstreeks bedreigd worden door de ‘massavernietigingswapens’ van Saddam Hoessein. Die wapens bleken helemaal niet bestaan, wat onder andere duidelijk maakt dat betrouwbare en overtuigende informatie een noodzakelijke voorwaarde is voor pre-emptief ingrijpen.

Maar een preventieve oorlog was het ook niet. Dat het steeds verder in eigen ellende ondergaande Irak van Saddam Hoessein een mogelijke bedreiging van de VS vormde was onnozele fantasie. De doctrine van preventieve oorlog komt er dan ook in feite op neer dat men zich het recht voorbehoudt uit te maken welk land men aan wil vallen, los van de regels van het internationale verkeer. Anders dan bij pre-emptie is er immers geen ondubbelzinnig criterium meer om zo’n oorlog te rechtvaardigen.

Het is mij een raadsel dat dit beroep op Amerikaanse exceptionalisme, dat vroeger veroordeeld werd als een schandelijke en ongerechtvaardigde kritiek van anti-Amerikaanse extremisten, nu ook door Nederlandse journalisten omarmd wordt als rechtvaardiging van de politiek van huidige Amerikaanse regering.

Bart Tromp

Auteur
Bart Tromp
Verschenen in
Elsevier
Datum verschijning
09-10-2004

« Terug naar het overzicht